Wachten en kijken

Twee werkwoorden die in eerste instantie niet zo snel bij elkaar gezet worden. Toch horen ze bij elkaar. Hoe maak je het wachten aangenaam? Ik bedoel maar, soms zit je te springen om aan de beurt te zijn of dat de trein komt en soms is het heerlijk om een beetje te zitten suffen en je blik valt op een schilderij of iemand met bijzondere versierselen of er is een speciale schaduw waar je oog naar toe getrokken wordt. Dit keer viel mijn blik op een tafel met spullen.

“Zou dat een installatie zijn?” vroeg mijn buurvrouw. Installaties zijn kunstwerken. Ik keek nog eens goed: lange lege doosjes en misschien ook doosjes waar nog iets in zat, potjes, een veger zonder blik. Nog veel meer spulletjes, mogelijk vallend onder de noemer ‘on-opruimbaar, maar je weet nooit waar je het nog eens voor kunt gebruiken’. Er stond een hoge stofzuiger onder die tafel, wel met een slang maar zonder steel. Allemaal heel decoratief in die wachtkamer van het ziekenhuis, waar natuurlijk ook stoelen stonden, tafeltjes ertussen met beduimelde tijdschriften, reproducties in lijstjes aan de muur, een klok en in de hoogte een televisie zonder geluid.

Mijn blik dwaalde rustig rondom en ik zag mannen in van die mooie grijze broeken met overal zakken erin en eraan hangen. Een trappetje en een gat in het systeemplafond: er worden tl-buizen vernieuwd. Niks geen installatie! Nieuwe lampen en de spullen die nodig zijn bij het vervangen en om de boel weer netjes achter te laten. Maar het had zeker een installatie kunnen zijn! Natuurlijk was het dat wel, maar niet voor lang.

Bad

Een stop voor het ligbad in Kamtsjatka! Ik moet er ineens aan denken door de rubriek in de krant, waarin iemand – meestal een bekende Nederlander – vertelt over zijn of haar bijzondere boek. Jelle Brandt Korstius laat ons weten hoe verknocht hij is aan de Bosatlas en heeft het o.a. over Kamtsjatka. Meteen komt een van de tv-afleveringen van op reis met Michael Palin bij mij boven. In Kamtsjatka ging hij namelijk verwoed op zoek naar een stop voor het ligbad in zijn hotel.

Nergens eentje te vinden, maar het was wel een hele leuke aflevering! Kamtsjatka is zo’n naam die ook bij mij associaties oproept met een mysterieus land, héél ver weg, zoals in sprookjes. Ook met aardrijkskunde vergat je zo’n naam niet. Hoe zou het er daar uitzien? Hoe leven de mensen daar? Die vraag is er nog steeds, want alleen de humor van Michael Palin – over het bad zonder stop – is blijven hangen. Erg goed herkenbaar, want natuurlijk blijft het water weglopen uit een bad omdat het gat afdrukken met je hiel of een washandje niet helpt: alleen een passende stop is afdoende. Hoe het afliep?? Ook dat weet ik niet. Heeft hij misschien achteraf een passende stop opgestuurd uit Engeland?

Onlangs in Londen moest ik er weer aan denken. In onze bed&breakfast hebben we de beschikking over een mooie badkamer met bad en een stop die goed afsluit, weliswaar een beetje verscholen onder het schuine dak van de zolder. Zijn de Engelsen altijd meer op een ligbad ingesteld dan op een douche? Ik vraag me af hoe mensen, die niet over voldoende mobiliteit beschikken, dat dan doen. Gewoon niet meer in bad?

Ik doe een test: ik stap in het bad, blijf staan en behoedzaam zonder de hele badkamer blank te zetten, laat ik het water over me stromen en denk aan de sproeiers van de autowasstraat. Rechtop staan lukt alleen met mijn hoofd door het dakraam.

Hoe prettig het is om wat in je hoofd te hebben bewaard…

Onder narcose voor het verwijderen van de schroef en het draadje uit mijn bovenarm, die nu weer heel en bijna geheeld is. Het plotselinge en onverwachte moment: ‘U krijgt nu wat extra zuurstof!’ Rats, zo’n ding over je neus en mond alsof je voor het eerst een snorkel probeert. Dat was even schrikken. De reactie om het eraf te rukken en met mijn ledematen te keer te gaan, kon ik onderdrukken. Rustig blijven, diep ademhalen, denk aan die andere keer en dat lukte…

Ik stond met bed in de file voor de operatiekamers, had het uitzicht op een reproductie van Monet – een weiland met klaprozen in een glooiend landschap, waarin een dame met parasol naar me toe liep. Met dat beeld in mijn hoofd ging ik onder zeil en werd later tussen die klaprozen wakker. Dat landschap van Monet kwam terug in mijn hoofd en ik vertrok – ook nu – toch prettig.

En het wakker worden daarna? Er wordt me gevraagd of ik een boterhammetje wil. Met boter en kaas? Ik vraag of boter échte boter is of margarine of iets wat daar op lijkt. ‘Nee, het is geen roomboter. Eet u dat altijd? Dat doet mijn moeder óók. Het is u niet aan te zien’. Nu ben ik alleen vergeten te vragen waaraan dat dan zichtbaar kan zijn. Met die vraagstelling kan mijn hoofd nog wel een tijdje vooruit als er geen beeld beschikbaar is…

Stokken

Naar aanleiding van vorige week kreeg ik stokken opgestuurd. Mooie wandelstokken van een grootvader en van een overgrootvader. Dat het wandelstokken zijn zie je aan de onderkant: dun en zonder rubber dopje. Anti-slip is niet nodig als je een stok voor de sier hanteert. Een stok die een steuntje geeft, is dikker – ook onderaan – en heeft een rubberen dop. Ofschoon de moderne wandelstok voor de sier heeft wel een rubber dopje onderop…

 

Bergstokken is een ander verhaal. Het lopen met een stok in geaccidenteerd terrein maakt het lopen wat comfortabeler. Je blijft makkelijker in je ritme. In de bergen is dat ritme wat trager dan op de vlakte. De bergstok heeft een punt aan de onderkant. Niet met de bedoeling dat je je voortprikt, maar die punt geeft stevigheid zodat de stok niet wegglibbert. Zo’n bergstok met allemaal plaatjes erop geschroefd, trofeeën van bezochte plekken, zouden ze er nog zijn?  

Ooit leerde ik bij anatomie dat mensen die generaties lang in de bergen wonen, kort van gestalte zijn en ze hebben bovendien een extra knobbel aan het bot van hun bovenbeen voor de ontwikkelde bilspieren, die doen zwaar werk bij het stijgen en dalen. De mensen van de vlakte schijnen daarentegen langer en sneller te zijn. De echte snelle lopers hebben een stevig bovenbeen maar dunne onderbenen (die slingeren sneller naar voren dan een stevige kuit). Kijk maar bij marathonlopers!

De stok

Lopen met een stok roept al snel de associatie met oude mensen op. Toch klopt dat niet. In de tijd van Couperus liepen heren met een wandelstok, gemaakt van een bijzondere houtsoort en al of niet met een zilveren knop of handvat. Niet omdat die heren problemen hadden met lopen, maar het stond chique. De stok gaf status in de 18e en 19e eeuw. Nu ik dit noteer, vraag ik me af of die heren misschien les gehad hebben hoe je je dan passend met een stok verplaatst of beter gezegd: flaneert. (flaneren is wandelen om gezien te worden volgens de woordenboeken) Toen ik in Tanzania woonde, hadden de ‘mzee’ van de Masai* een korte stok met een knop. Misschien vergelijkbaar? Ook herders hebben zo’n stok, maar met functie. De herdershond herkent de bewegingen die de herder met z’n stok maakt en de hond doet wat er van hem verlangd wordt.

Allemaal mannenpraat. Hebben vrouwen geen stokken die iets van meerwaarde geven? Nordic walking zie je vaak vrouwen doen. Is lopen met die twee stokken wel elegant? Of moeten wij het zoeken in paraplu’s? Ik hoop zelf nog altijd die mooie paraplu van Mary Poppins te vinden: een degelijke paraplu met het handvat van een mooie eendenkop, wel eentje die lekker in de hand ligt. En ermee door de lucht vliegen? Nee, dat hoeft niet zo of ja toch, in een mooie droom…

 

* ‘mzee’ is het swahili-woord voor: de oudere, de wijze man.