Kale skeletten

Het is winter, de bomen zijn kaal en naakt. Zo zonder blad laten ze hun skelet zien. Van de boom tegenover mijn huis heb ik een jaar lang in alle seizoenen foto’s gemaakt. Blader ik door het plakboekje dan is het opvallend dat hij een halfjaar kaal is en dat er een halfjaar blaadjes zijn. Sinds ik dat weet, volg ik dat levensproces nauwgezet. In die boom zit beweging zonder dat hij wegloopt. 

Kan ik ook aan het skelet van die boom zien dat het een bonte esdoorn is? Nee, van kale bomen herken ik er slechts één. Dat is een berk, vanwege zijn witte stam. Ik kan me wel voorstellen dat een deskundige op het gebied van bomen ook aan de stam en de opbouw van de takken kan zien wat voor boom het is.

En het menselijk skelet? Hoe zou het zijn om een los botje van een voet of een hand of een willekeurige borst- of lendenwervel in je hand gedrukt te krijgen met de vraag: Kan jij dit botje duiden? Een arm of een been is direct herkenbaar, maar zo’n los botje uit de pols of een kootje uit de voet? Als fysiotherapeut heb je zeker met het skelet te maken, maar dan is het meer zoals met het proces van die blaadjes, dat is beweeglijker.

Knikkebollen, kopjeduikelen, kopstoot

Er zijn veel woorden gekoppeld aan het lijf. Vandaag neem ik het hoofd onder handen. Knikkebollen is zo’n mooi woord! Dommelend knikken zegt het etymologisch woordenboek, dus niks met het hoofd als bol. Geen aai over het bolletje. Ook geen kopzorg: dit is geen hoofdzaak.

Knikkebollen roept iets zachtaardigs op, het kan vertederend zijn. Het komt door de toenemende ontspanning van de spieren van hals en nek met afnemend bewustzijn vlak voor het in slaap vallen. Wanneer je ligt dan valt het niet op. Zittend lijkt het hoofd van de romp naar beneden te willen vallen, net op tijd klapt het weer terug, ogen gaan open en je lijkt even te schrikken door het terugkerende bewustzijn.

Kopje duikelen, koppeltjeduiken of een koprol maken klinkt heel anders. Actie! Het lijf beweegt over het hoofd heen.

Een kopstoot geven of om een kopstoot vragen klinkt ronduit erg pijnlijk ofschoon er ook een andere betekenis voor dat laatste woord bestaat, al moet je daar van houden.

Vooruit!

Een klein jochie ontdekt hoe hij achter een duwkar op zijn benen kan staan en zich kan verplaatsen. Hij is niet te stuiten tot hij valt omdat het duwen sneller gaat dan hij kan bijbenen. Hij klautert weer overeind, pakt de kar en de uitdaging om op twee benen vooruit te gaan begint opnieuw…

In 1987 is de rollator in Nederland geïntroduceerd. De rollator is bedoeld voor mensen die slecht ter been zijn. Misschien wel zoals een stoel kan helpen bij het leren schaatsen. De voorloper van de rollator is het looprekje, met het nadeel van de trage manier van voortbewegen en dat je geen kopje koffie mee kunt nemen.

Zowel bij het looprekje als bij de rollator hebben mensen de neiging om voorover te leunen en krom voorover te gaan hangen. Bij kinderwagens en boodschappenkarretjes zie je hetzelfde. Vermoeidheid? Gebrek aan gevoel in de benen? Steun nemen om rechtop te staan is lastig soms, maar als het lukt doen de benen wel beter mee en kom je met minder inspanning voor de schouders vooruit…

Eind van het jaar

Elk jaar zijn er halverwege december signalen dat alles lijkt te stoppen met Kerst. Alle actie moet op tijd afgerond zijn zodat we straks opnieuw kunnen beginnen.

Maar we beginnen helemaal niet opnieuw, we tellen er alleen een nieuw jaar bij op. Alles gaat gewoon door.

In deze adempauze van de tijd, trakteer ik mezelf op een boek: Ik, Vondel van Hans Croiset. Dit fictieve verhaal over Vondel past zeker bij deze laatste dagen van het jaar.

Nederlandse schilders in Parijs

Op mijn 12e ging ik voor het eerst naar Parijs. “Het hoort bij je opvoeding”, zei mijn moeder. Het was het cadeau voor mijn toelatingsexamen van het lyceum. Sindsdien drijft een onzichtbare kracht me met de nodige regelmaat terug naar Parijs. Ik ben niet de enige… In het Van Gogh Museum in Amsterdam is momenteel een expositie te zien over ‘Nederlanders in Parijs tussen 1789 en 1914’. Ook  J.B. Jongkind hoort daarbij. (zie blog vorige week).

Wat mij nu zo verwondert, is dat mijn aandacht op deze expositie, met veel mooi werk, versnipperd raakt. Ik kijk minder thematisch, zoals vorige week naar de luchten en wat het maanlicht met een stadsbeeld of landschap doet.

Mijn oog zoekt… Ik zie een brief van Kees van Dongen met een schetsje hoe laag het plafond van de zolder is die hij gehuurd heeft. Hij kan amper rechtop staan om te schilderen. Mooie foto’s van Breitner van paarden in Montmartre.  Ik zie het prachtige blauw van ‘De blauwe japon’ van Kees van Dongen ( blikvanger op het affiche en de catalogus). Helder diep blauw vooral ter hoogte van haar middel en heupen. Dat blauw is niet na te maken, dat is alleen in het écht te zien!