Bewegen en buitenlanden

Het is vakantietijd. Om in de stemming te komen lees ik een Engels gidsje over de Franse stad Lille. Het is duidelijk dat het voor de mensen aan de andere kant van Het Kanaal geschreven is. Lille is de eerste stad op het continent, wanneer je vanuit Londen met de trein gaat. Het hoofdstukje ‘What to take’ begint dan ook met de mededeling dat je de pot Marmite mee moet nemen, al is het waarschijnlijk wel verkrijgbaar in een supermarkt. Verder lees ik het advies om iedereen altijd een hand te geven omdat de Fransen dat graag doen en het onbeleefd is om dat na te laten.

marmite kopieklein

Ieder land heeft z’n gewoonten en z’n specifieke bewegingen. Kom je op Trinidad en wil je autorijden, dan moet je eerst ter plekke rijles nemen en zelfs examen doen. Het gaat daar vooral om de specifieke gebaren, die je met je linkerarm uit het open raam moet maken. (Ja, ze rijden daar links.) Dat gesticuleren doen wij hier niet zo, altijd die raampjes open, veel te fris.

Hier in de stad word ik verrast door verkeersregelaars, die druk gebarend het verkeer op een kruispunt in goede banen leiden omdat de stoplichten het niet doen. Allemaal enthousiaste armbewegingen, heel eventjes moet ik aan Trinidad denken. Het zijn niet alleen de gebaren, dat warme zonnige weer van daar… komt dat nu ook?


Baantjes trekken

Het is heerlijk om een uur lang heen en weer te zwemmen in het zwembad. Het is een meditatieve bezigheid, gedachten komen, gedachten gaan en soms zijn er geen gedachten meer. Op een dag na het trekken van mijn baantjes, besef ik hoe moeiteloos ik door het water glij richting trappetje. Ik moet niks meer, terwijl ik toch zwem! Sindsdien zwem ik op die manier en ploeg me zelden meer woest heen en weer. Ik breng het water in beweging en laat me voortstuwen. Die baantjes gaan vanzelf…

Heen op mijn rug en terug op mijn buik met niet te grote maar wel gecoördineerde bewegingen in een rustig ritme. Een ritme wat past bij mijn stemming en dat kan enorm verschillen. Een droge constatering: hoe vaker ik zo – zonder iets te moeten – zwem, hoe ruimer en krachtiger mijn bewegingen worden en hoe sneller ik door het water ga. 

Het spelletje om van mijn buik via mijn rug door te draaien naar mijn buik. Soms ga ik erbij tellen, drie slagen waarvan twee vooruit in schoolslag, de hele draai op de derde tel en weer door met de eerste tel op mijn buik. Het zijn niet echt drie tellen, maar – voor de insider – ik tel in triolen, dat zorgt voor het prettige doorgaande ritme van bewegen met afwisselend een draai tussendoor links- en dan weer rechtsom en toch door zwemmend in het baantje.

draaien in het zwembad 001 - kopieklein

Vandaag was ik verheugd, het lukte al een tijdje niet meer om over mijn linkerkant die soepele draai te vinden… Dat kan ik eigenlijk niet hebben, want als het rechtsom vanzelf gaat, waar zit ik me dan linksom in de weg? Het blijkt een stug linkerbovenbeen te zijn! In het zwembad is een hogedrukspuit en daarmee heb ik eerst de spieren van dat linkerbeen bewerkt en met succes: het lukt weer! Ik heb mijn draai gevonden!

Stiekumpjes denk ik dan daarna… en nu over de kop? Koppeltje duikelen in het water? Maar wil ik dat echt? Niet denken…misschien doe ik dat ook nog eens zomaar spontaan net als toen ik leerde duiken en de instructie van de badmeester opvolgde: ‘Goed met je neus  je knieën achterna gaan, hup het water in!’ Dat bijzondere gevoel van vanzelfsprekendheid om me te voegen in een draaiing waar geen eind aan leek te komen, dat vergeet ik nooit!

Uitstel?

‘Uitstel is afstel’ is het gezegde. Soms is dat zo. Geen zin om een klusje aan te pakken? Blijft het bij de gedachte? Nalatigheid of gebrek aan wilskracht? Schuldgevoelens? Ik betrap me er wel eens op dat ik van mezelf een of ander klusje moet doen en het vervolgens niet doe. Ik sta daarin niet alleen, in ‘De Voorlezer’ van Bernhard Schlink, staat een uitgebreid exposé van iets bedenken en beslissen maar dat het handelen niet een logisch gevolg daarvan hoeft te zijn. Soms doen we iets en dat blijkt een eigen bron te hebben. (op blz.20 van de 12e druk ISBN 90 414 03701)

stofzuiger 001 - kopieklein

Hoe zit dat met dat ‘iets moeten’? In de loop der jaren ben ik dat Heilige Moeten steeds meer gaan afschaffen. Wanneer ik op de bekende plek een stofwolk zie liggen, komt de gedachte boven drijven: ‘ Rike, je moet stofzuigen!’ ‘O ja?’ zegt dat andere stemmetje terug, ‘Vind je dat?’ Heb ik geen zin om door te gaan met die dialoog, dan is het: hup, de stofzuiger uit de kast en in drie tellen is het klaar, nou ja, ietsje meer dan in drie tellen… vervolgens blijkt het mee te vallen of er gaat iets mis. In het laatste geval doe ik het zonder aandacht of stoot in de haast van het geen zin hebben nog net even iets om of de zak moet net verschoond worden en duurt het nog langer terwijl…
Of ik zeg tegen dat akelige stemmetje: ‘Wie zegt tegen jou dat je je met alles moet bemoeien? Laat dat en hou je stil! Ik wil je niet meer horen.’ Dan laat ik dat stofzuigen dus mooi nog even zitten tot die stofwolk me werkelijk gaat storen.
Er zijn ook momenten dat ik spontaan de stofzuiger pak, nergens over denk en geen dialogen met mezelf voer: ik ben aan het stofzuigen.
Niks geen ge-waarom, het wil kennelijk stofvrij zijn.

stofzuigen 001 - kopieklein

Moeten oefenen? Nee! Je herhaalt iets en blijft zoeken naar de meest doelmatige manier. Alleen maar omdat je iets in de vingers of onder de knie wilt krijgen. Dat ge-oefen in het wilde weg omdat het moet en als je het niet doet met een schuldgevoel in je maag zitten, dat is niet het ware oefenen.
Dat schuldgevoel kan misschien wel eens lastiger zijn dan niet oefenen. Je houdt jezelf voor de gek wanneer je als een robot bezig bent. Het gaat net als met dat verplichte of met het spontane stofzuigen… je gevoel erbij en betrokken zijn met wat je aan het doen bent, dát telt en anders maar niet!
Na een tijdje toch wel? Maar dan ben je er aan toe en dan heeft het ook dat effect wat je beoogt…

Terugblik

‘Wanneer de Indianen een eind moeten lopen, doen ze dat op hun eigen manier: het bovenlijf wat naar voren en dan laten ze zich ritmisch op de voorvoeten vallen. Dat kunnen ze urenlang volhouden. Af en toe even pauze, maar de rust mag niet te lang duren voor ze weer verder gaan in hun rustige tempo.’

Dit zijn in mijn eigen woorden de zinnen die ik in de vierde klas van de lagere school werkelijk gehoord heb, toen juffrouw Rauwens ze voorlas uit ‘Panokko’ van Anne de Vries. Ik heb lopen altijd een noodzakelijk kwaad gevonden, lopen doe je niet voor je plezier, je loopt om ergens naar toe te gaan. Vanaf dat moment ben ik spelletjes gaan verzinnen om net zo gemakkelijk als die Indianen te kunnen lopen zonder dat het pijn in mijn benen of voeten zou veroorzaken.

Indianen 001 - kopieklein

Daar liggen mogelijk de wortels van mijn beroep als fysiotherapeute door het opdoen van eigen ervaringen. Veel oefenmethode’s en therapieën zijn ontstaan omdat iemand een kwaal of een klacht had en op zoek gegaan is naar een manier hoe ermee om te gaan. De denkfout, die makkelijk ontstaat, is om er dan vanuit te gaan, dat jouw manier van omgaan met het een of ander voor iedereen van toepassing is.

Je krijgt iets met een beroep, wanneer je ordeningen gaat zien en verbanden kunt leggen. Geprikkeld worden en je wilt méér weten. Je vraagt je van alles af en gaat op zoek naar deskundigen: ’Hoe komt het dat…?’ Het herkennen van verbanden – door kennis, maar ook ordeningen ontstaan op basis van ervaringen aan den lijve en vanuit werkervaringen – dat is belangrijk. Bovendien niet star vasthouden aan één bepaalde ordening, maar beweeglijk blijven.

Er zijn veel ordeningen. Soms vullen ze elkaar aan, soms zijn ze tegenstrijdig. Er worden oude ordeningen opnieuw gerangschikt en in andere woorden gepresenteerd. Het gaat om het effect in de praktijk en daar kan een theorie bij gezocht worden. Bij een praktisch beroep als fysiotherapie staat het nuchtere praktische centraal en daarvoor is goed luisteren en kijken met aandacht, tijd, geduld en een brede blik het belangrijkste. Om dat een beetje onder de knie en in de vingers te krijgen, is veertig jaar eigenlijk niks.

Boekenkast

Opruimen en ordenen van je boekenkasten is een lastige klus. Voor je het weet zit je in een boek van lang geleden te lezen. Of je plukt later toch weer een boek uit de stapel die weg mocht. Intussen is de klus geklaard. Er is weer lucht tussen de boeken gekomen. Ook boeken lijken dat prettig te vinden. Ze kijken nu vast uit naar wat er straks weer gezellig tussen gedrukt gaat worden, los van de dwarsliggers bovenop.

boekenkast 001 - kopieklein
Er is een nieuw plankje ontstaan voor schrijvers, die over hun fysieke ongemakken vertellen. De meest bondige is van Hein Donner. Niet alleen omdat hij een lovend stukje over de nuchtere kant van de fysiotherapie schreef (omgaan met beperkingen en niet bang zijn), ook om zijn scherp gevoel voor menselijkheid in ongemakkelijke omstandigheden. Zijn stukjes voor nrc-handelsblad zijn verzameld in ‘Na mijn dood geschreven’.
Max Pam beschrijft zijn proces om weer te kunnen lopen na een hersenbloeding in ‘Het Ravijn’. Hij geeft een preciese analyse hoe je normaal loopt en hoe ingewikkeld het lopen is. Eerst vanuit de optiek van iemand met een halfzijdige verlamming, wat hij verderop bijstelt. Je staat er normaal gesproken nooit zo bij stil hoe gecompliceerd het kunnen lopen eigenlijk is. Gelukkig hoeven we er niet over te denken, we doen het gewoon!

Klaagboeken zijn er ook, maar wat een kunst om er een mooie litanie van te maken. Péter Esterházy in ‘Een verhaal, twee verhalen’ die last van zijn rug met uitstralende pijn in een been heeft en twijfelt of hij de treinreis van Boedapest naar Wenen wel aankan. Zo je kwaal bladzijden lang kunnen etaleren, dat hoor je niet op die manier in de dagelijkse praktijk. Ik zag dat ik in dat boek een copie van een kort verhaal van Gerrit Krol ingestopt had. Het heet simpelweg ‘Pijn’ en het komt uit ‘Een perfecte dag en andere verhalen’. Tim Parks die zijn boek de veelzeggende titel meegaf ‘Teach us to sit still’ doet het weer heel anders.

Een boek wat ik niet in dat rijtje gezet heb, maar bij de andere boeken van Marguerite Yourcenar heb laten staan, is ‘ Hadrianus’ gedenkschriften’. De Romeinse keizer mijmert op zijn oude dag dat de kans voorbij is dat hij door een dolksteek of ten gevolge van een val van zijn paard op het slagveld zal sterven, zijn lijf is van een gewone oude man geworden met mankementen die niet meer over zullen gaan.

Allemaal herkenbare menselijke aangelegenheden. Wanneer een dokter over iets van zichzelf gaat schrijven voor niet-medisch geschoolde lezers dan proef je de klinische blik gecombineerd met iets heel persoonlijks, zoals in ‘Een been om op te staan’ van Oliver Sachs. Met evenveel humor is ‘Therapy’ van David Lodge geschreven, die zijdelings een geweldig exposé geeft over verschillende alternatieve therapieën.

Als het schrijven over ongemakken die ongemakken verlicht en humor de betrekkelijkheid van beperkingen relativeert, waarom zijn er dan niet veel meer van dit soort boeken?