Oefening baart kunst

Wanneer je iets in de vingers of onder de knie wilt krijgen, dan moet je oefenen. Dat weet iedereen. Je ziet het al bij kleine kinderen die iets proberen en ermee doorgaan tot ze het kunnen. Bijvoorbeeld als een kind een blokkentoren bouwt. Je moet ervoor zorgen dat de toren niet omvalt en als hij eenmaal staat, is het leuk hem om te gooien en weer opnieuw te beginnen.


Ik probeer voor een 64-jarige het liedje van de Beatles ‘When I’m sixty four’ in de vingers te krijgen. Er zit zo’n mooi loopje in en dat wil ik vlot kunnen spelen. (Het gaat om ‘bottle of wine’)

De vorm van mijn hand blijft stabiel, er is een zijwaartse beweging in mijn pols met de contrabeweging in mijn elleboog en het geeft bovendien een reactie in de schouder (die gaat niet omhoog!). Bij de vingerzetting van die akkoorden wissel ik van pink naar ringvinger en terug. Ik zoek net als het kind met de blokkentoren de handigste manier om het gewenste resultaat te krijgen. Wij bereiken allebei ons doel!

Een appeltje schillen

We eten een appeltje toe en schillen het. Hij houdt het appeltje heel en draait de schil er in een lange sliert af, dan snijdt hij de appel in vieren en haalt het klokhuis eruit. De appel is gereed voor consumptie.

Ik snij de appel in vieren, het klokhuis eruit, de schil eraf en dan ieder partje in tweeën of drieën net hoe het uitkomt.

Hoe komt een mens aan z’n gewoonten? Is het aangeleerd of proefondervindelijk zo gegroeid? Waarom doe je het zoals je het doet? 
‘Wanneer je met iemand nog een appeltje te schillen hebt’ betekent dat je een netelige kwestie moet oplossen. Wij hebben niks neteligs en hoeven niks op te lossen, wij eten gewoon ons appeltje lekker op…

Oogst

Op tafel staan twee kleine bordjes. Op het ene liggen vier vijgen. Op het andere twee flinke aardbeien en vijf kleine tomaatjes. Dat is de oogst van de dag.


Buiten doen twee appeltjes hun best om groot te worden. Ze zijn net zo knalgroen als het water in de grachten rond de binnenstad er uitziet of zal ik zeggen zo groen als de soep van het blad van de radijsjes?

De oogst is bescheiden, maar de perenboom hangt vol.


Verkeren

Het fietsen door de stad verandert snel. In de eerste corona-tijd was het bijna angstig stil en rustig, maar prettig om op de fiets een boodschap te gaan doen. Intussen nemen de studenten de stad weer in. Je moet opletten, want er wordt weer rechts ingehaald om maar iets te noemen.


Voetgangers steken gedachteloos de weg over ook zonder even om te kijken of er misschien iets aankomt. Verrassend om met een meisje van bijna zes naar buiten te gaan en haar horen zeggen: ‘Je moet eerst naar links, dan naar rechts en dan wéér naar links kijken. Als er niks aankomt, mag je oversteken…’ En dat deden we ook!


Er is een nieuw fenomeen: de elektrische scooter. Het verkeer wordt geluidloos. Ik kan toch niet ontkennen dat ik nog altijd erg vrolijk word van het gepruttel van een solex of een 2CV die af en toe voorbijkomt. Ja, voorbij…

Ruggen

Een mevrouw op een elektrische fiets stuift me voorbij. Opvallend hoe bewegingsloos haar rug is, alsof ze gewoon thuis naar de tv kijkt met haar rug tegen de leuning van een keukenstoel. Haar benen maken rustig hun rondjes zonder echt te trappen. Ze draait voor de show nog wat met haar benen en haar fiets doet alsof het een brommer is zonder geluid.

Wanneer ze het zadel ‘te hoog’ zou zetten en haar benen moeten reiken naar de trappers, dan zal haar onderrug wat actiever mee doen. Bij flink doortrappen, zoals bij de heuvel op of bij flinke tegenwind – de elektrische hulp uitzetten – dan komt de voorwaartse beweging, meestal met een royaal gebogen rug, ook door.

Op een elektrische fiets loop je het risico om die specifieke bewegingen te missen, tenzij de vermoeidheid toeslaat bij een lange tocht of als de batterij voortijdig leeg is…