Opstaan en starten

Wachten voor het stoplicht, niet erg, ik ben op tijd en het zonnetje schijnt aangenaam. Het licht springt op groen, ik pak het stuur wat steviger beet, trek mijn fiets ietsje terug en zet af met mijn ene voet en fiets weg. Eerst een tegenbeweging daarna koers je directer op je doel af, in mijn geval hup weg, doorfietsen. Niet helemaal als een pijl die de gespannen boog verlaat, maar wel een beetje.


 
’s Morgens als de wekker gaat, begin ik de dag niet als een speer die weggeworpen wordt. Meer als een hond of een kat, die zich traag uitrekt en strekt om z’n lijf aan te trekken als een jas waarin hij de dag gaat doorbrengen. Kortom met een trage start kom ik in de benen. In de sport heet dat ‘warming-up’: je klaar maken voor een gerichte bezigheid. Bij het wakker worden ben je doorgaans overal even aangenaam warm, dus ‘warming-up’ is niet de goede benaming.
Om terug te komen op die pijl of de speer, misschien gaat het toch op. Uitrekken en omdraaien, nog even lekker in m’n holletje kruipen, dan enthousiast worden vanwege alle leuke dingen van de dag en… ik sta zo naast m’n bed!